Blog over zaken uit mijn boek 'Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen'


Lang geleden heeft Srebrenica Europa wél gered

Srebrenica. De naam van het kleine Oost-Bosnisch stadje tegen de grens met Servië aan, zal waarschijnlijk voor altijd een synoniem blijven voor genocide. In juli 1995 werden daar meer dan 8.000 Bosnische mannen geëxecuteerd. In een vonnis oordeelde het Internationaal Strafhof in Den Haag dat daar sprake was van genocide. Zoals elk jaar wordt dat herdacht op 11 juli. Maar Srebrenica mag in de economische geschiedenisboeken ook opgenomen worden met een hele andere rol.

Recent is uit tot nu toe geheime documenten gebleken dat Europa en de wereld Srebrenica in de zomer van 1995 hebben laten vallen. En dat terwijl diezelfde Srebrenica ironisch genoeg in een ver verleden Europa in economisch en monetair opzicht juist van een ernstige economische crisis heeft gered! Ik heb dat ontdekt toen ik onderzoek deed voor mijn boek Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen. Hoe zit dat?

Al enkele jaren kampt Europa met grote economische problemen. Die zijn ontstaan doordat er heel lang te veel geld in omloop was. Daardoor zijn de schulden van staten en huishoudens zodanig toegenomen, dat de Westerse economieën inmiddels onder die schuldenlast zijn bezweken. Sinds het begin van de crisis, eind 2008, hebben de centrale banken, de enige instellingen die legaal geld mogen drukken, de Westerse economieën overspoeld met geld in de hoop daarmee de economie weer aan de praat te krijgen. Voorlopig lukt dat nauwelijks. De economische problemen duren nu al een half decennium en het einde is nog niet in zicht. En dat terwijl het geld volop aanwezig is.

Ruim vijf eeuwen geleden kampte Europa met precies het tegenovergestelde: er was een schrijnend tekórt aan geld en dat zette de Europese economie in die tijd nagenoeg stil.

In die tijd waren de munten in Europa gemaakt van zilver en goud. De aanvoer ervan om nieuwe munten te slaan, droogde echter op. Omdat er toen geen papiergeld zoals tegenwoordig – in historisch opzicht is ongedekt papiergeld zeer jong – bestond, betekende dat dat de heersers van toen geen extra geld konden maken zoals de centrale banken van tegenwoordig. Extra geld kon alleen geslagen worden als er nieuw voorraden zilver en goud uit de grond werden gehaald. Maar het zilver was op in Europa. De Europese zilverproductie daalde sinds 1400 dramatisch. Het was in Europa van die tijd nauwelijks meer mogelijk was om nieuwe munten te slaan. Hoe ernstig dat voor de economie van Europa was, blijkt duidelijk uit het feit dat in 1451 twee Franse en Italiaanse handelsschepen onverrichter zake huiswaarts keerden uit de Spaanse stad Valencia. Zij konden er niets verkopen omdat niemand in Valencia geld had om hun goederen te kopen. Het economisch leven kwam tot stilstand. Een ernstige crisis, misschien wel een depressie, dreigde. De parallellen met de Griekse banken anno 2015 zijn duidelijk. In Griekenland zijn de banken al ruim een week dicht omdat ze geen geld in kas hebben. De economie verkeert in een diepe coma.

Het zilverprobleem in Europa van toen was technologisch van aard. De zilvermijnen bereikten de maximale diepte waar het mogelijk was de mijngangen leeg te pompen met de technologie van toen. Hierdoor dreigde de economie van Europa stil te vallen. Dat dat níet is gebeurd, heeft Europa te danken aan een stadje in Bosnië-Herzegovina dat sinds 1995 synoniem is voor genocide: Srebrenica.

Volgens de Amerikaanse geoloog Richard Cowen was het alleen nog de zilvermijn in Srebrenica (de naam ‘Srebrenica’ is afgeleid van het Bosnische woord srebro, wat zilver betekent) die tussen 1400 en 1450 in Europa voor aanbod van zilver zorgde. Dat bood tijdelijk soelaas - ook de Bosnische zilverproductie piekte rond 1430 – maar daarmee was net voldoende tijd gekocht voor Europese ingenieurs om nieuwe technologieën te ontwikkelen.

Vlak na 1450, net voordat de zilvermijn in Srebrenica ook zou opdrogen, lukte dat. De Europese ingenieurs ontdekten nieuwe technieken waardoor diepere mijngangen wél leeggepompt konden worden. Zo verschenen in die tijd de eerste water- of paardaangedreven vacuümpompen. Daardoor werden ook de overstromingen in de zilvermijnen sterk gereduceerd. Dankzij die innovaties waren de oude zilvermijnen door heel Europa weer back in business. Ook ontdekten de toenmalige ingenieurs dat het toevoegen van lood aan het erts sneller, makkelijker en meer zilver opleverde aan het einde van het smeltingsproces. Tot slot werden nieuwe zilvervoorraden ontdekt, met als de hoofdprijs zilver ontdekt in 1516 in Joachimsthal, dat tegenwoordig in Tsjechië ligt. Die zilvermijn was zo belangrijk voor Europa, dat de naam van de munten die daar werden geslagen tot op de dag van vandaag bestaat: de Joachimsthaler werd afgekort tot thaler, het woord waarvan ‘dollar’ is afgeleid.

Door dat alles verdubbelde de zilverproductie in Europa tussen 1470 en 1520. Maar het was het Bosnische zilver dat Europa in de vijftiende eeuw van een ondergang heeft gered. Aan het stadje waar de ogen van de hele wereld ook dit jaar op 11 juli zijn gericht, kleeft dan ook een ander, positiever, etiket, namelijk die van de redder in nood van de Europese economie.